Ontwikkeling van de leerling

Ons onderwijs wordt op maat geboden. Voor elke leerling is een ontwikkelingsperspectief bepaald. Het ontwikkelingsperspectief (OP) is een inschatting van het te bereiken eindniveau van een leerling bij het verlaten van de school. Om dit te bereiken doorlopen de leerlingen daarbij passende leerroutes. Het ontwikkelingsperspectief geeft de verwachting aan van het uitstroomniveau van de leerling.
OP 2 : VSO ZML OP 2, taakgerichte en activerende dagbesteding
OP 3 : VSO ZML OP 3, arbeidsmatige dagbesteding
OP 4 : VSO ZML OP 4, (beschutte) arbeid of Praktijkonderwijs

Om een goede afweging te kunnen maken voor het ontwikkelingsperspectief, wordt het verband gelegd tussen de verschillende domeinen waarin de leerling zich ontwikkelt:
• verstandelijke mogelijkheden (IQ)
• didactisch functioneren (niveau waarop de leerling onderwijs aankan, bijvoorbeeld leerroute 3)
• leervaardigheden (werkhouding en taakaanpak)
• sociaal-emotionele ontwikkeling (o.a. sociale vaardigheden)
• praktische vaardigheden (zelfredzaamheid en praktische redzaamheid).

Afhankelijk van de ontwikkeling die de leerling doormaakt, kan het ontwikkelingsperspectief nog worden bijgesteld. Hierover onderhouden we natuurlijk nauw contact met de ouders. Het ontwikkelingsperspectief wordt elk jaar geëvalueerd en met de ouders besproken. Leerlingen, van wie wij de verwachting hebben dat zij kunnen door- of uitstromen naar een vorm van regulier onderwijs (waaronder Speciaal Basisonderwijs (SBO) of Praktijkonderwijs), krijgen voor de cognitieve leergebieden zoals taal en rekenen verdiept onderwijsaanbod, dat aansluit bij de instroomeisen van het vervolgonderwijs. Daarnaast is het onderwijs erop gericht dat de leerling, met name in sociaal emotioneel opzicht, hier goed op is voorbereid. Wij gebruiken het Landelijk Doelgroepenmodel. Ook gebruiken we functioneringsniveaus (FN), zoals die ook in het regulier onderwijs worden gehanteerd.

Onderbouw
In de onderbouwgroepen van Mozarthof ligt de nadruk op het spelend leren. In alle groepen zijn rijk gevulde hoeken met
spel- en ontwikkelingsmateriaal. We werken vanuit thema’s. Met behulp van thematische methodes werken we in de hoekenaan alle ontwikkelingsgebieden van het jonge kind.

Door het spel wordt de ontwikkeling op de verschillende gebieden (sociaal, emotioneel, taal, cognitief, motorisch, zintuiglijk, zelfbewustzijn) gestimuleerd. De eigen invloed en controle die de leerlingen in het spel ervaren, hebben een gunstige invloed op hun durf en zelfvertrouwen en dit werkt door in de mogelijkheden om zich verder te ontwikkelen op alle gebieden.

Voor schriftelijke taal en het leren schrijven werken we met de methode Lezen moet je doen. Deze methode leert het lezen aan door te starten met het aanleren van woorden, ondersteund door picto’s. Dat noemen we ‘pictolezen’. Voor het rekenonderwijs gebruiken we de methode Rekenboog. Hierin worden alle rekenonderdelen aangeboden met behulp van concreet materiaal.
Ook komt rekenen spelenderwijs in alle hoeken terug. Naast het gebruik van de methodes werken we ook met de spellessen en materialen van 'Met Sprongen Vooruit'. Tijdens deze lessen worden rekenvaardigheden aangeboden in spelvorm waarbij bewegend leren centraal staat.

Midden- en bovenbouw
In onze midden- en bovenbouw ligt het accent op het zelfstandig werken, schriftelijke taal en rekenen. Ook is er veel aandacht voor leren leren, leren taken uitvoeren en leren functioneren in sociale situaties. We investeren veel tijd aan technisch lezen in niveaugroepjes. Bij het aanbieden van nieuwe letters en woorden maken we gebruik van letter- en klankgebaren en we besteden veel aandacht aan de vorm van de letters. Hiervoor maken we gebruik van visuele en auditieve ondersteuning. Ook in de midden- en bovenbouw wordt voornamelijk gewerkt met de methode 'Lezen moet je doen'. Voor het rekenonderwijs werken we volgens het ijsbergmodel. Daar bedoelen we mee dat het maken van sommen en dergelijke maar het topje van de ijsberg is.

Zaken als begripsvorming en betekenisverlening zijn veel belangrijker. Daar werken we aan door het bieden van concrete, informele situaties waarin de leerlingen leren betekenis te verlenen aan getallen en leren te handelen. Ook leren ze te werken met modellen die gebruikt worden om veelvoorkomende situaties of problemen op een 'modelmatige wijze' op te lossen. Deze manier van werken zorgt er uiteindelijk voor dat leerlingen van rekenen met concreet materiaal kunnen gaan rekenen op papier en sommen maken.
In de midden- en bovenbouw gebruiken we vooral de methode Rekenboog. In de bovenbouw gebruiken we daarnaast ook de methodes Maatwerk en ‘Klokkijken met de hardloper en de prullenbak’. In de midden- en bovenbouw is elke klas ingericht met een reken- en taalhoek. Hiermee willen we voor de leerlingen een uitdagende en rijke leeromgeving inrichten waarbij ze ook op andere momenten dan de taal- en rekenlessen uitgedaagd worden om te leren.

Totale communicatie en structuur

Om tot leren te komen is elke vorm van communicatie belangrijk. We werken vanuit de principes van Totale Communicatie (TC).
TC is een basishouding waarbij verbale taal zoveel mogelijk ondersteund wordt door andere communicatiemiddelen zoals foto’s, picto’s, geschreven taal en gebaren. De middelen sluiten aan bij het niveau en de mogelijkheden van de leerling. Leerlingen hebben vaak moeite met het begrijpen en verwerken van gesproken taal. Gebaren helpen om de spreektaal te ondersteunen en te begrijpen. Door in gebaren te praten, gaat het spreektempo automatisch omlaag, waardoor de leerlingen het beter begrijpen.

Gebaren worden naast de gesproken taal ingezet, passend bij de groep en het ontwikkelingsniveau. Door gebaren in te zetten wordt de nadruk gelegd op de belangrijkste woorden, waardoor de leerlingen de boodschap sneller begrijpen. De leerlingen krijgen zo de taal op twee manieren aangeboden (auditief en visueel). De gebaren vervangen de gesproken taal niet. Gebaren hebben een positief effect op het taalbegrip en de taalproductie (woordenschat en zinsontwikkeling).

Leerlingen kunnen een sterke behoefte hebben aan structuur, verduidelijking en voorspelbaarheid. In elke groep hangt een pictobord met daarop de picto’s van de activiteiten van de dag en de dagen van de week. In de bovenbouw worden ook de maanden, de seizoenen en het weer aangegeven op het pictobord. Er wordt bij iedere leerling gekeken of hij baat heeft bij individuele picto’s.

Daarnaast worden er op individueel niveau aanpassingen gedaan op sensomotorisch gebied. Bijvoorbeeld, als er sprake is van overprikkeling, kan gebruik gemaakt worden van middelen om geluid te dempen en als er sprake is van onderprikkeling (lage alertheid), middelen en activiteiten om de aandacht te stimuleren.

Groepsdoorbrekend werken

Er wordt groepsdoorbrekend gewerkt. Taal- en rekenonderwijs wordt in niveaugroepen aangeboden aan leerlingen uit verschillende klassen. We delen de niveaugroepen in op basis van het leerlingvolgsysteem (LVS) en de toets gegevens. Zo kunnen we de verschillende niveaus een beter gedifferentieerd aanbod doen en heel gericht instructie geven. Hiermee hopen we het leerrendement te vergroten. Als een niveau bereikt is, gaat de leerling verder. Door deze resultaten vast te leggen in het LVS, zorgen wij ervoor dat iedere leerling op zijn of haar niveau blijft werken. Daarnaast zijn er vaste toets momenten. Door op deze manier te werken blijven we de leerlingen uitdagen; ze kunnen immers verder. De meeste groepen krijgen vier keer per week tweemaal drie kwartier groepsdoorbrekend taal- en rekenonderwijs aangeboden. Leerlingen die meer herhaling en oefening nodig hebben, krijgen dit in de eigen klas.

Aanbod vakgebieden

Het leerstofaanbod is voor alle leerroutes uitgewerkt voor de basisvakken:
• schriftelijke taal: technisch lezen, begrijpend lezen en spelling
• mondelinge taal
• rekenen
• praktische redzaamheid
• leren leren
• sociale en emotionele ontwikkeling (sociale vaardigheden).

Naast de leerlijnen voor de basisvakken zijn er leerlijnen voor de overige vakken. Dit zijn: muziek, drama, beeldende vorming, burgerschap en bewegingsonderwijs.